“Doelloos zit ik, Gods doel is de doelloosheid.”

Deze blog wordt u per digitale trekschuit aangeboden. Op een vijftien jaar oude bakelieten laptop van obscure doch degelijke Duitse makelij, wist ik een browser te vinden die zich nog kon verzoenen met Windows XP. Nu kunnen beide ZZP’ers in huize Eikema hun werk doen met de onoverkomelijk benodigde digitale middelen. Mark op de Apple, ik op de Terra.

In 1882, toen de trekschuit net zo in onbruik was geraakt als vandaag Windows XP, werd in Amsterdam Jan Hendrik Frederik Grönloh geboren. Onder het pseudoniem Nescio (“Ik weet (het) niet”) schreef hij een aantal klassiekers, waaronder ‘Titaantjes’. De titel van deze blog is een conclusie die de ik-persoon in dat boek trekt, nadat hij de idealen uit zijn jeugd het ziet verliezen van de burgerlijke maatschappij. Hij kijkt terug op de tijd die hij doorbracht met zijn even idealistische jeugdvrienden. Het schrille contrast met hoe hun levens er uiteindelijk uit zijn komen te zien, brengt hem tot de volgende mijmering:

“Op den toren van Rhenen had ik gestaan en de verten
gezien, en mijn hart had naar de verte getrokken en naar
de roode luchten in ‘t westen. Doch al had ik van den toren
kunnen vliegen naar de verten, dan zou ik slechts
gevonden hebben, dat de verte het nabije was geworden
en opnieuw zou mijn hart naar de verte getrokken hebben.
En wat baat mij de wijsheid, die mij leert dat ‘t niet anders
kan en zoo blijven zal in eeuwigheid?

(…)

Doelloos zit ik, Gods doel is de doelloosheid.
Maar voor geen mensch is het weggelegd dit bij
voortduring te beseffen.”

Nescio zet het stempel ‘doelloos’ op het constante ontglippen van wat hij ‘de verten’ noemt. Datgene waar ons hart naar uitgaat, datgene waarvoor we in beweging komen. Want steeds ontdekken we dat, eenmaal aangekomen in die verte, er zich een nieuwe verte aandient. Een denker van nóg langer vervlogen tijden, verwoordde het zo:

“Ik heb alles gezien wat onder de zon gebeurt, en vastgesteld dat het niet meer is dan lucht en najagen van wind.”.

Tussen Prediker en Nescio zit ook nog Paulus die zijn versie hierop geeft:

‘de schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil, maar door hem die haar daaraan heeft onderworpen’.

Het feit dat dit herhaaldelijk door mensen is opgeschreven en nog steeds geen common sense is, geeft aan dat Nescio gelijk heeft: voor geen mensch is het weggelegd dit bij voortduring te beseffen.

Je zou er treurig van kunnen worden, de tragiek van doelloosheid of het feit dat we haar ontkennen. Tot je jezelf wat minder serieus begint te nemen. Dan verandert de tragiek van een illusoir leven in de bevrijding van een pretentieloos leven. Een leven dat op zichzelf al goed is, en vrij van najagen van wind.  Zo leerde mij bijvoorbeeld de prachtige ‘Vapor’ meditatie. Doelloosheid staat zo bij lange na niet gelijk aan vreugdeloosheid of verlamming.

Ik heb daarom met plezier geaccepteerd dat ‘Het Grote Doel’ lang niet zo helder is als ik altijd dacht. Ook ik ben Nescio, ‘ik weet het niet’. Ik ben de statische stip op de horizon verloren. En toch blijf ik in beweging.

Waarom?

Omdat beweging de aard is van onze werkelijkheid. Al sinds haar ontstaan beweegt het universum, breidt ze uit, dijt ze uit. En ik deel in haar oerdrang. In één van mijn favoriete Rob Bell podcasts (‘Life and death and vegetables’) stelt hij:

“The natural state of the universe is becoming. It’s not fixed, it’s not static, it’s not set in place. The universe is in the endless process of becoming. So you as a participant are in the endless process of becoming. (…). If something isn’t moving into more and more enlivening and expanding, then it’s dying.”

Waar de Compleet Andere zichzelf voorstelt als ‘Ik ben’, stellen wij onszelf voor als ‘Ik word’. Ons is beweging en rusteloosheid ten deel gevallen. Paus Franciscus plaatst dit in een hoopvol licht, aan hem geef ik het laatste woord:

“Men dient God te zoeken om Hem te vinden, en Hem te vinden om Hem verder en zonder ophouden te zoeken. Alleen deze onrust geeft vrede aan het hart (…) Zonder onrust zijn wij steriel.”

Standard

Een jaar.

Een jaar geleden verhuisden we. Ik heb veel verdriet gehad. Dat wat we achterlieten was zoveel meer dan wat we aantroffen. Ik ben boos geweest, op het warme welkom dat uitbleef, om iedereen die hier doorleefde alsof ik niet net een hele zwaar verlies had geleden. Er was rouw.

Er was troost van de avonden die gewoon bleven vallen, de ochtenden die zichzelf aandienden. Troost van de tijd die verstreek en ons door het eerste, koude, seizoen hielp. En toen de lente zich eindelijk aandiende, verruilde troost zich voor hoop. Dat ik zou kunnen landen, zou kunnen aarden op deze nieuwe plek.

Want ik wandelde over de dijk langs het Zwarte Water, ontdekte schoonheid op loopafstand. Ik voelde de najaarswarmte in de achtertuin, hoorde de peulen van de goudenregen knappen in de zon.

Langzaam aan ontdooide ik. Steeds iets zachter voor Zwolle.

IMG_4434

 

Standard

Out of this building

Deze blog schreef ik voor De Kerklozen.

Het is tien jaar geleden dat een Hasseltse band met de on-provinciale en ietwat pretentieuze naam Green Apple Habitant een EP’tje uitbracht. De band bestond uit vier jongemannen die de instrumenten bespeelden en een jonge vrouw die zong en liedjes schreef. Die jonge vrouw ben ik, en mijn tijd met de band is één van de zoetste herinneringen die ik koester. Wellicht dat de EP daarom bijna profetisch verscheen onder de titel So Vanillish. In een schuur op een boerenerf schreven we, repeteerde we, dronken we bier, voerden diepe gesprekken tot diep in de nacht, bouwden we een studio, namen uren en uren op, schaafden, schuurden en finetune-den tot we tevreden waren. Ons kindje was geboren.

Het plaatje heeft zes liedjes die qua thematiek nog uitermate actueel zijn. Ik schreef over hoe in liefde de ultieme vrijheid te vinden is, over de spanning tussen loyaliteit en zelfexpressie. Ik schreef over de hobbel die ik moest nemen om een liefdesrelatie aan te gaan. Over droogte op het land en in mensenlevens, over ons eigen aandeel daarin. Over hoogmoed die voor de val komt. En over de kerk. Mijn huidige kerkloos zijn kondigde zich tien jaar geleden nogal onverholen aan in het nummer Out of this building. 

(Luister ‘m via deze link)

May I drag you out of this building
Telling why won’t be enough to show
There’s some beauty that you’ve been missing
While each morning looked green
Through the window we couldn’t get clean

Let me drag you out of this building
For once dare, follow, let me show
All the beauty that you’ve been missing
While each morning looked green
Through the window we couldn’t get clean

I can’t stay with you in this building
To find the same sofa, claim the same place
And discuss the colors we’ll find outside
While each morning looks green
Through the window we couldn’t get clean

No, I can’t stay with you in this building
I can’t stay with you

De bemoste groene ramen van de schuur die fungeerde als ons oefenhok, stonden ongetwijfeld model voor de terugkerende metafoor in het liedje. Destijds was ik ervan overtuigd dat als je het gebouw maar zou verlaten, je alles helder, eerlijker en trouw aan de realiteit zou zien. Ik ben daar wat minder naïef in geworden. Als mens blijf ik kijken door een gekleurde lens, die niet makkelijk schoon te poetsen is. Mijn perceptie blijft altijd beperkt. Ik krijg steeds meer het idee dat dat ook de bedoeling is. Want openstaan voor en eerlijk zijn over dat idee, maakt ons bescheiden in onze opvattingen over de werkelijkheid en afhankelijk van elkaar in het (be)leven van dit leven. Het gebouw in het liedje staat daarom niet echt meer gelijk aan de kerk, maar meer aan starheid. Die twee hebben soms, maar lang niet altijd met elkaar te maken. Toch nog wat geleerd in pak ‘m beet tien jaar.

Standard

De rouw, de ruimte.

Rouw en ruimte zijn mijn gezelschap in een tijd waarin er binnenin mij veel verandert. Het ene moment zijn ze alleen, het andere moment samen in een innige verstrengeling, waarbij ze bijna niet meer van elkaar te onderscheiden zijn.

Ik keek een serie en hoorde een lied waarin ik ze ontroerend gepersonifieerd zag.

De rouw kwam tot me in de serie The Americans (4 seizoenen van te zien op Netflix). Hierin volgde ik Nadezhda en Mischa, twee spionnen van de Russische KGB, die een dubbelleven leiden in Amerika. Als Amerikanen zijn ze Elizabeth en Philip, een getrouwd stel met twee kinderen die een reisbureau runnen. Ze wonen in suburbia, door een wrede of zeer handige speling van het lot naast een FBI agent en zijn gezin. Als Russische spionnen werken ze hard (regelmatig harteloos) en doelgericht voor moeder Rusland, door het verkrijgen van geheime informatie of het saboteren van Amerikaanse projecten. Heel boeiend, heel spannend. Vooral het dubbelleven en alle emoties en complicaties die daarbij komen kijken maakt het tot een zeer interessante serie. De menselijkheid en onmenselijkheid van Philip en Elizabeth wisselen elkaar in rap tempo af, samen met de sympathie en antipathie die ze wekken. De grenzen van goed en kwaad zijn verwarrend, de serie lijkt een moreel spelletje met ons te willen spelen. En het meest fascinerende: hoe verder ik vorderde in het kijken van de serie, hoe meer zielsverwant ik me met ze voelde. Laat me dat uitleggen:

Ik ben dan geen lid van de KGB, maar ben dat wel lange tijd geweest van de GKV (Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt). Scheelt één letter, en scheelt gelukkig ook een hoop bloedvergieten.

Net als Nadezhda en Mischa groeide ik op met de wetenschap dat de groep waar ik toe behoorde een zeer belangrijke rol speelde op het wereldtoneel. En dat ik onderdeel was van een club die een unieke, urgente rol speelde in het al dan niet gunstige eeuwige lot van onszelf en onze medemensen. Moeder Rusland was voor mij de moederkerk, de ware kerk wiens leer de mensen tot het heil en eeuwige leven leidde. Serious business. Als kind dat op jonge leeftijd al een roeping ervoer bij deze wetenschap (op 4-jarige leeftijd ging ik met de kinderbijbel naar de buurman) had ik een uitstekende KGB-spion kunnen zijn. Grenzeloos toegewijd aan een hoger doel, bereid om daar persoonlijke angsten voor te overwinnen. Dit heeft mijn leven diepgaand gevormd. Niet Rusland, maar de kerk (later theologisch verbreed en verrijkt: het Koninkrijk van God) hebben mijn keuzes over hoe ik mijn leven leid en waar ik mijn aandacht, tijd en geld aan besteed krachtig bepaald. Ben ik blij mee, het inspireert – nog steeds. Maar er is een ingrijpende verandering gaande. Misschien net zo ingrijpend als die bij Philip/Mischa plaatsvindt in de serie. Hij is van de twee de meest ‘zachte’ persoon. Hij stelt sneller vragen bij de methodes van de KGB. Hij begint meer en meer sympathie voor Amerikanen op te brengen, ziet steeds meer hun gezamenlijke menselijkheid, onder de argwanende blik van zijn partner Elizabeth. Logisch, die argwaan. Gezamenlijke menselijkheid, de erkenning dat we met z’n allen in hetzelfde schuitje zitten en het met elkaar zullen moeten rooien op deze magische aardkloot (onlangs is hier een prachtige podcast van The Liturgists over uitgezonden) – dat is het begin van het einde van een organisatie als de KGB . Die bestaat namelijk bij haar eigenheid, anders-zijn, exclusiviteit, superioriteit.  Ook hier zie ik parallellen met de kerk. Waar geestelijke leiders gezamenlijk oproepen tot vriendschap met andersdenkenden zou de christelijk-gelovige zomaar zenuwachtig op z’n stoel kunnen gaan wiebelen. Hoezo vriendschap? We moeten ze toch de waarheid vertellen? Misschien is vriendschap een mooi vertrekpunt om daarna een ander te kunnen overtuigen, maar een eindpunt? Net als Philip en Elizabeth hun vriendschappen inzetten voor het verkrijgen van informatie, is mij ook geleerd bewust vriendschap aan te gaan met ongelovigen, om ze uiteindelijk voor Christus te winnen. Of om me in te zetten in de buurt waar ik woon, om uiteindelijk mensen de ogen te openen voor wie God is. Dubbelleven. Dubbele agenda. Ik zie het ineens helder, dankzij The Americans. En ik rouw om het verlies van zo’n duidelijk hoger doel. Het behoren tot zo’n duidelijke club. Want net als Philip zie ik steeds meer onze gezamenlijke menselijkheid, en ontdek ik bronnen buiten mijn eigen traditie die het ongelofelijk waard zijn om naar te luisteren.

En daar komt ruimte in beeld, vertolkt door het prachtige One van Birdtalker.

Meer dan de lyrics en de video hoef ik daar niet over te delen. Ik draag het lied op aan KGB’ers als Philip en Elizabeth (ook al zijn ze fictief, zielsverwantschap is sterker) en aan GKV’ers. Er is niets om bang voor te zijn, we verliezen niets, als we dit ons lijflied maken:

 

Standard

Salvador

Toen mijn wederhelft gisteravond een metalconcert bezocht, bekeek ik uit een mengeling van hang naar dom entertainment en zelfkastijding het Eurovisie Songfestival. Bijna alle 3 uur, 44 minuten en 47 seconden.

Na het elfde liedje dacht ik eigenlijk al te kunnen gaan slapen, want het was zonneklaar dat het mooiste liedje van de avond toen reeds was gezongen. Salvador Sobral zong klein en betoverend zijn Amar pelos dois. Ik werd er stil van. Wát mooi.

En toch keek ik door. Uit die mengeling van hang naar dom entertainment en zelfkastijding. Of misschien vanuit een voorgevoel dat er toch nog iets waard was om voor te blijven kijken. Toen op minuut 241 een streaker het podium wist te beklimmen en gewikkeld in Australische vlag zijn blote billen liet zien, wist ik waar ik onbewust op had zitten wachten.

En toen, de oneindig lange uitslagen. En een onbetwiste winnaar. Mijn lievelingslied, de openbaring van het festival, won. Zowel jury als volkeren waren betoverd door het lied van de Portugees. En terecht.

Ooit las ik een boek dat mijn leven veranderde: ‘Leven als volk van hoop’. Het is geschreven door Jeff Fountain, de oprichter van Hope for Europe. De uitslag van het songfestival 2017 stemt mij hoopvol voor Europa. Blijkbaar herkennen we schoonheid en oprechtheid maar al te goed als het een liedje voor ons zingt.

Het circus van het festival kon de jonge Portugees geen lor schelen. Hij nam, afgezien van zijn optreden, dan ook elke kans om te laten zien dat hij het niet serieus nam. Als de camera zich op hem richtte, trok hij een raar hoofd, nam hij een drumstok tussen zijn tanden en maakte hij samen met zijn zus een nepselfie met haar pump. Eén groot feest van zelfspot. Ongemakkelijk, pijnlijk zelfs wellicht voor de overtuigde eurovisie-gelovigen, inclusief de presentatoren die zichzelf behoorlijk serieus namen in hun taak.

Het bijbelboek Genesis vertelt een verhaal over God die de aarde maakt. De mensen die hij daar op plaatst, krijgen een speciale taak. Zij moeten de aarde in cultuur brengen. Mooier maken. Ze ontwikkelen zichzelf om haar te ontwikkelen en tot bloei te laten komen. En in het liefdevol en toegewijd uitoefenen van die taak, bloeit de mens zelf op. In relatie tot, vindt ze haar perfecte samenhang.

Lelijkheid herken je meteen, als je een mens ziet die enkel in beweging is om zichzelf tot bloei te laten komen, los van de inzet voor een groter geheel. Mensen die enkel druk zijn met hun eigen schittering, verworden paradoxaal tot lachwekkende, tragische karikaturen van wat ze zouden kunnen zijn. Schoonheid herken je ook meteen, als je ziet dat iemand opgaat in zijn of haar liefde voor creëren. Met toewijding en aandacht aan de slag gaat met dat wat hij in de vorm van zijn talenten in zijn handen krijgt om mee aan de slag te gaan.

Je verwacht het niet te zien, tijdens 3 uur, 44 minuten en 47 seconden Songfestival-geweld, maar alles was perfect in verhouding, in dat kleine, intieme moment op dat grote podium. En Europa heeft het erkend en gewaardeerd.

Want hij won. Want in the end wint schoonheid, echtheid, puurheid. En dat hij met zoveel punten won, zegt iets over de honger die wij daarnaar hebben. Doe iets waar je van houdt, en doe het goed. Zonder poespas. Zonder het ego centraal te zetten. Want dat merkte je aan alles wat hij deed: hij onderging de lijdensweg van de eindeloze repetities en ongemakkelijke media-aandacht uit liefde voor de muziek. En de kracht van die liefde heeft hij weer op de kaart gezet. Dat maakt hem in zekere zin zijn naam waardig: Salvador. Redder.

Standard

Wie liefheeft, heeft gelijk

Bovenop de grote bak met commentaar dat is gekomen op de actie van mijn neef Rikko Voorberg, om op 4 mei de gestorven vluchtelingen te herdenken, wil ik ook mijn schepje doen. De bloedband roept, en ook ik vind er iets van.

In de recent uitgezonden podcast van Lazarus Magazine, over het waarom van het sterven van Jezus aan het kruis, zei ik: “Blijkbaar was zijn (Jezus’) verhaal controversieel. Waarom dan? Is dat nu nog steeds zo? Is dat universeel en tijdloos? En is dat, als wij Jezus gaan navolgen, onherroepelijk de weg die wij gaan?”. Waarop Reinier Sonneveld aanvulde: “is dit wat gebeurt met het goede, als je er de machten op los laat?”.

De afgelopen dagen heeft de boosheid, de haat, richting (de actie van) mijn neef mij behoorlijk in z’n greep gehouden. Ik moest herhaaldelijk denken aan de woorden uit de podcast. “Is dit wat er gebeurt met het goede?”. Je kunt alles vinden van de al dan niet handig getimede actie. En of dat ‘goed’ is. Maar wat bepaalt wat wel of niet goed is?

Mijn criterium voor ‘goed’, is een simpele, maar veeleisende: komt het voort uit liefde? Dan is het goed. Of als mij de vraag gesteld zou worden: aan wiens kant sta jij, wie heeft er gelijk in deze kwestie? Dan zou mijn antwoord zijn: wie liefheeft, heeft gelijk.

Dit ‘gelijk’ kan in beide kampen te vinden zijn, dat is het mooie aan dit criterium. Want liefde is inclusief, gretig, altijd uit om alles en iedereen te omvatten en te verbinden. En bestaat niet langer op het moment dat je het reserveert voor het ene selecte gezelschap en bewust terugtrekt voor een ander select gezelschap. Maar als beide kampen liefhebben, kunnen ze ook goed met elkaar in gesprek. In plaats van bakken stront en ander ondefinieerbare drek over een ander uit te storten.

Er is geen enkel excuus voor zulke geuite haat. Geen enkele.

Het is een memorabele dodenherdenking voor me. Ik heb mijzelf niet eerder zo onderdeel van een verhaal van oorlog en vrede gevoeld als nu. Want wat is oorlog? Een statisch gegeven dat ingaat na een expliciet uitgesproken verklaring tot oorlog? Wat is vrede? Een statisch gegeven dat ingaat pas na een zwaaiende witte of gehesen rood-wit-blauwe vlag? Is oorlog of vrede niet veel meer een staat van zijn, een dagelijkse, dichtbije werkelijkheid voor elk mens – tot uiting komend in de mate van of het gebrek aan dankbaarheid, tevredenheid, liefde, vriendelijkheid en de concrete wil om te willen leven in harmonie?

Ik heb geen oorlog meegemaakt, maar ik ken zeker onvrede. Dat is mijn dagelijkse strijd. Om mijn ogen open te hebben voor wat ik heb gekregen, wat mij is toegevallen en waar ik dankbaar voor kan, zelfs moet zijn. Ik kijk anders naar mijn kerngezonde zoon, nu ik weet dat lieve vrienden vanwege die van hen momenteel in het ziekenhuis moeten wonen. Zo zou een herdenking van vluchtelingen, zo eng concreet gemaakt en in detail gebracht in 3000 witte kruizen ons de ogen kunnen openen voor wat we hebben. Ons dankbaar kunnen maken. Liefde kunnen geven. En welkom laten heten.

Is de boosheid een verkapte angst voor zulke liefde? Waarin we onszelf zouden kunnen verliezen? Is dat de boosheid die ook aan de oppervlakte kwam toen Jezus mensen confronteerde met volmaakte liefde? Dacht men deze angst te kunnen doden door hem te doden?

Niet gelukt. Zowel de volmaakte liefde als de angst ervoor zijn nog springlevend. Ook, en misschien juist, op 4 mei 2017.

Standard

De lokroep en het nest

Het grootste deel van mijn leven heb ik mij geroepen gevoeld. Om mijn taken op me te nemen, om mijn plicht te doen. De zware last van zorg voor al die kwetsbare mensen waar ik zo van hou, maar ook van het voldoen aan mijn godsdienstige plicht, drukte zwaar op mijn schouders. Leidde tot verlamming en depressie.

Het is nog niet zo lang geleden dat ik een andere roep begon te herkennen. Een lokroep, een verleiding. Een uitnodiging om open te staan voor nieuw leven. Beantwoording aan die roeping zou niet bestaan uit onderwerping aan een wet, maar uit ontvankelijkheid, openheid voor en bereidheid tot liefde en transformatie (en voor wie denkt dat dit een vrijblijvender optie is: ik geloof er heilig in dat het resultaat van transformerende liefde het resultaat van onderwerping aan een wet gruwelijk overstijgt).

Ik hoor de stille lokroep, de stem die me verleidt de leegte in te gaan. De stilte op te zoeken. Mijzelf niet langer aan alles en iedereen te geven, maar geloof te hebben in wat toewijding aan het kleine en onbeduidende voor verschil kan maken.

Ik ben drastisch aan het snoeien in mijn leven. Tot de zomervakantie werk ik nog in het onderwijs, daarna niet meer. Mijn smartphone heb ik ingeruild voor een dumbphone. Op de nieuwe plek waar ik woon hebben we nog geen uitgebreid sociaal leven opgebouwd. Het is rustig, het is stil. Bij vlagen maakt de leegte me bang en onrustig. Ik ben verslaafd aan adrenaline, aan de adrenaline van een vol en strijdlustig leven.

De komende tijd zeg ik ‘ja’ tegen het gewone en het weinige. Het eenvoudige. Het onopgesmukte. Velen gingen mij daarin voor. Ik ben geïnspireerd door de Franciscaanse leefstijl. Ik leer veel van wat Ann Voskamp schrijft in haar boek ‘One Thousand Gifts’. De lokroep komt tot mij via vele kanalen.

Ik zie groei in het feit dat ik deze keuzes niet maak uit kritiek of afkeuring. Het komt niet voort uit een ‘nee’, maar uit een ‘ja’ voor alles wat verborgen ligt in datgene wat blijft als de veelheid wegvalt.  Ik hoor de lokroep. Ik beantwoord hem. Ik bouw een nest in de leegte. Ik verwacht daarin nieuw leven.

Dit nieuwe leven zie ik als een geschenk, maar ook als een noodzaak. Want naast de lokroep die verleidt, hoor ik ook de ‘drums in the deep’ die dreigen. Het samenleven op deze wereld zie ik afstevenen op steeds meer verharding en verwijdering. We zullen er klaar voor moeten zijn om hier met de zachte kracht van de liefde, inclusiviteit en bereidheid daarvoor te lijden op te reageren. Als volgeling van Jezus, zie ik dat als enige manier om hierop te reageren. Al het andere heeft geen (blijvend) effect. In de leegte zie ik kans voor vorming en training hiervoor. Als vrucht van de keuzes die ik maak zal de gevoeligheid in mijn ogen en oren toenemen. Zal mijn antenne nog beter afgesteld worden.

Ik zal delen van wat ik zie, hoor, denk en voel. Niet om cool te doen, maar uit verlangen naar een gezamenlijke reis. We moeten dit samen doen. Ik kan het niet alleen. Ik wil het niet alleen. Ik hoef het niet alleen.

Bear with me.

Standard

De zweep

Het plein

Ik ben in gedachten op een tempelplein in lang vervlogen dagen. Er is een boze Jezus met een zweep. Er ontstaat opschudding. Ik moet denken aan de Damschreeuwer. Er breekt paniek uit onder mensen en dieren. De meeste weten niet eens wat er aan de hand is, maar weten wel dat ze moeten maken dat ze wegkomen. Zij hebben later van de mensen die vooraan stonden de verhitte verhalen gehoord over de Joodse rabbi, en hebben hem daarom gehaat. Het gemekker van de schapen is nu buiten de tempelpoort te horen, een duif fladdert stuurloos en gestresst en landt dan op een muur. Jezus snuift nog na, staart stil en stijf gespannen naar de chaos die hij veroorzaakte, zijn woede vooral nog tot uitdrukking komend in zijn gebalde vuist met witte knokkels om de zweep geklemd. Eén marktkoopman is op zijn plek gebleven. Hij heeft zijn rammen bij elkaar weten te houden en probeert te begrijpen wat er zojuist is gebeurd. Vanuit zijn ooghoeken ziet hij zijn buurman zichzelf belachelijk maken in het wanhopig bijeen proberen te drijven van zijn koopwaar. Trots en uitdagend zoekt hij de ogen van de man met de zweep die hem niet uit de weg heeft gekregen. Waar haalt hij het gore lef vandaan dit te doen?  Mannen zoals hijzelf te beschamen, mannen die op een eerlijke manier hun brood proberen te verdienen en met dit werk ook nog eens bijdragen aan de godsdienst?

Ik zie dat de ogen van de twee mannen elkaar ontmoeten. Beide zijn woest. Beide heilig verontwaardigd. En ik zie hoe het er nu op aan komt. Ik smeek dat de ontmoeting van die twee paar ogen zal leiden tot herkenning in elkaars verlangen. Dwars door de chaos, woede en angst heen. Dat het niet zal eindigen in verharding en verwijdering. In een uitgehard onbegrip. Is er bij de koopman een bereidheid een beter verhaal te herkennen en te omarmen, als deze voorbij komt? Alles in mij schreeuwt: vind elkaar!

De tuin

Ik ben in de tuin van Getsemané. De man met de zweep huilt, zweet en bloedt. Hij weet dat hij zelf tot op het bot geslagen zal worden. De heilige stad uitgejaagd zal worden, als een schurftig, afgekeurd slachtdier, niet goed genoeg voor de godsdienst. Alle boosheid en walging zal zich op hem botvieren.

En ik voel de angst. Het hakt er ineens in. Getsemané, zucht ik. Dodelijk bang zijn, maar toch kiezen voor de liefde. Wat het ook kost. Want het gáát kosten. Dat niemand mij ooit heeft verteld dat dit geheel in de lijn der verwachting ligt. Dat ik volop in de verblindende val van het vooruitgangsgeloof ben getrapt. “Want het is toch 2017! Kom op mensen!”. Wat heeft een jaartal daarmee te maken, begin ik mijzelf sterk af te vragen. Alsof die enige garantie voor progressie biedt.

De enige garantie voor oprechte progressie is een liefde zo groot, dat ze de drang tot lijfsbehoud van het ego overstijgt. En wat me stoort en kwetsbaar maakt, is dat me dit nooit geleerd is. Dat het gros van de christelijke gemeenschap, bij uitstek de volgers van ‘de-man-met-en-onder-de-zweep’, geen unieke antenne lijkt te hebben voor zowel ongerechtigheid en toenemende destructieve krachten als wat het kost om lief te hebben. Dat zij eerder in slaap wiegt met de belofte dat alles goed zal komen en daardoor niet bouwt aan karakter en de bereidheid zo nodig te lijden voor de liefde.

Ik wil mijn ogen open hebben, ik wil bereid zijn. Dit vergt investering. De komende tijd zal blijken hoe die bereidheid en investering mijn leven (nog meer) zal beïnvloeden dan het nu al doet.

Wat is het heerlijk en wat is het pijnlijk mens te zijn. Ik honger naar liefde, naar schoonheid, naar goedheid en oprechtheid. Dat alles mag en wellicht moet wat kosten.

De zweep erover. Uit liefde.

Standard

Psalm 63

“O God, mijn God, ik zoek uw hand,
ik dorst naar U, blijf op U wachten.
Zie hoe mijn ziel en lichaam smachten
naar U in droog en dorstig land.”

Het was in droog en dorstig land waar ik gisteravond op het punt stond mijn glas bier door de kamer te gooien. En na de nachtrust was er niet veel veranderd, behalve dan dat het vanmorgen de kop koffie bij het ontbijt betrof.

Ik ben boos, machteloos en vooral erg moe. Er zijn mensen aan het lijden van wie ik heel veel hou. En ik kan er niets aan doen.

Tijdens het tanden poetsen herinnerde ik mij een oude psalm die ik in de kerk altijd zong.

“Uw liefde is het hoogste goed, dat U o God mij hebt gegeven.
Uw trouw is beter dan het leven. U bent het die mij juichen doet”.

In mijn kinderlijke onschuld begreep ik nooit waarom zo’n tekst zo in de mineur kon worden gezongen. Hoe ouder ik word, hoe meer ik dat begrijp.

Ik zing dit voor zij die lijden.

 

 

 

Standard

O, beminde

Ik bekeek mezelf in de spiegel, vlak nadat ik bemind was. Ik zag in dat spiegelbeeld een gloed, een warmte, zachtheid. Liefde. Een weerkaatsing van mijzelf die ik anders zelden zie. De minnaar was erin verscholen. Ik was bemind en werd een ander. Ik zag een glimps van wie ik waarachtig was en zou kunnen zijn.

Ik dacht aan Nederland. En aan iedereen met wie ik hier samen mag leven. Ik dacht aan zelfliefde, en hoe kinderen vooral dat wordt aangeleerd. Thuis, op scholen, in dat waar ze via scherm aan mee doen en aan worden blootgesteld. Ik dacht er aan hoe zelfliefde nooit die gloed, warmte, zachtheid en liefde aan ons gezicht zou kunnen geven. Omdat liefde datgene is wat er gebeurt tussen meerdere entiteiten. In volledige, wederkerige overgave.

Zelfliefde is stilstaande liefde. We verschrompelen ervan. We gaan er dood aan.

“In the wisdom tradition there is lots of talk about life and death. But it is always rooted in choices you are making right now. (…)  You are making choices that either make you more and more alive or you are making choices that, while you’re still alive, you’re actually more and more dying.

Life in its natural state, enlivens and expands. The universe has been expanding for, what, 13,8 billion years. The natural state of the universe is ‘becoming’. It’s not fixed, it’s not static, it’s not set in place; the universe is in the endless process of becoming. So you, as a participant and a living, breathing entity in the universe, you are in the endless process of becoming. (…) If something isn’t moving into something more and more enlivening and expanding, then it’s dying.” 

Rob Bell in Wisdom Part 4 – Life and death and vegetables

In het DNA van onze cultuur ontbreekt de wetenschap en ervaring dat we worden liefgehad door iemand anders dan onszelf. Dat is een potentieel gevaar. Charlie Chaplin wijst er in zijn magnifieke speech in The Great Dictator op hoe ongeliefd zijn kan leiden tot haat:

“Don’t give yourselves to these unnatural men – machine men with machine minds and machine hearts! You are not machines, you are not cattle, you are men! You have the love of humanity in your hearts! You don’t hate! Only the unloved hate; the unloved and the unnatural.”

Als politici vandaag in het debat willen teruggrijpen op ons Joods-Christelijk erfgoed, dan zou ik ze willen vragen om vooral op het verlies dáárvan te wijzen: het verlies van een entiteit buiten onszelf die liefde en doel voor ons heeft. Die ons bemint. Of in de taal van het volkslied een schild ende betrouwen wil zijn.

Het is teveel gevraagd van een land dat zo droog staat als Nederland, dat zich niet bemind weet door een andere entiteit dan zichzelf, om bijvoorbeeld vluchtelingen op te vangen. Ik zeg niet dat het niet moet gebeuren, maar ik zeg dat de cultuur dit in toenemende mate niet kan opbrengen. Materieel makkelijk overigens. Maar emotioneel, mentaal lijden we een tekort aan ruimhartigheid. Want we lijden een tekort aan liefde.

Ik pleit niet voor een geforceerde terugkeer naar die wortels. Alsjeblieft niet. Ik pleit wél voor een broodnodige eerlijkheid over hoe droog we staan. En hoe dat ons mens-zijn, onze gezondheid en die van de samenleving ernstig aantast. Alleen vanuit die eerlijkheid, een nieuwe ontvankelijkheid en openheid, kunnen we op zoek naar nieuwe bronnen voor dat wat we nodig hebben om samen mens te zijn op deze aarde.

“We need each other, because we need other people saying ‘stop lying to yourself, stop lying to me’. And we need other people, because we need the nurture of others, we need the help of each other. As human being we need to learn to help others, because a person who never loves another, that person never fully become human.

And when I say ‘loves another’, I don’t mean just other people. I’m learning this by reading a lot of indigenous voices, first nations peoples: one of the things that is almost universal amongst tribe people is they say; ‘when the Europeans came to this country, they set up a new way of relating to land as a property, as a private possession. And the only thing that mattered was what you can get from the land.’

And so the last couple of hundred years or more, we have been really good in just raping the land. Taking everything we can get, in terms of its forest products, its minerals, its oil, gas, its carbon, its soil fertility. We’re mining every square inch of this country that we can. (…)

What that does, say these first nation people, is it makes it so that they never can have a loving relationship with the land. They never learn to exercise the love for the land. And as a result, they don’t have the experience of knowing that the land loves them back.

And they say that human beings that come into the world in this mindset – property, mining, extraction, and don’t ever feel the love of the land for them, they’re psychotic. They are mentally and emotionally deprived. We talk about a baby that never feels affection of a mother or father, how they become messed up psychologically. Well these natives are saying: people who never experience the love of the land: they are messed up.”

Norman Wirzba in Called to Hope

Kortom: ik denk dat Nederland weer eens een flinke beurt nodig heeft. Wie of wat de minnaar gaat zijn en hoe dat precies in z’n werk gaat? Weet ik niet. Maar het heeft iets te maken met ontmoetingen, met ogen die open gaan voor hoe mooi mensen zijn, hoe mooi deze aarde is. Het heeft te maken met ontvankelijkheid, openheid. Met kwetsbaarheid. Verleidbaarheid. Beminbaarheid.

Arise

come my darling

my beautiful one

come with me

Uit: David Åhlén – Arise

Standard